Uit 'Drumsolo, 35 Jaar Te Laat Naar Bed' (2001) (met vriendelijke toestemming van Uitgeverij L.J. Veen en de schrijver) (ISBN 90-204-0082-7)

Door Hans Waterman



(....) Het was eind 1964 - misschien begin 1965 - toen we met de René Five in Zaal Dommering in Winschoten speelden. Volledig onverwacht was daar een ontmoeting met een band waarvan de geruchten dat ze heel erg goed waren met een soort mythische impact vooruit waren gesneld. Omdat wij uit Groningen kwamen en zij uit Assen, waren ze binnen ons circuitje aan de directe waarneming ontsnapt. Enig provinciaal chauvinisme speelde hierbij een beslissende rol: iets uit Assen kon in de ogen van Groningers niks voorstellen. Maar ik had tot op die dag nog nooit zoiets merkwaardigs beleefd.
Achter het podium heerste die avond een haast buitenaardse sfeer omdat de leden van deze band uit een andere cultuur leken te komen; er was bijna sprake van een andere nestgeur. In kleding, haardracht, spraak en vooral ook instrumentkeuze, weken deze jongens totaal af van onze - naar het opeens leek - vrij lullige maatstaven. En ze moesten heel goed zijn in wat ze deden, ook dat straalden ze uit. Waarom? Ik weet het echt niet, maar toen wij als eersten het podium opgingen, voelde ik me onzeker en betrapt op een achterhaalde houding. Dat onzekere, treiterende gevoel, waardoor je ook nog eens een keertje denkt onder je normale niveau te spelen.
Eenmaal klaar met onze Shadows- en Cliff Richard-set aangevuld met wat Beatles- en Kinks-liedjes, stonden we te kijken hoe die jongens zeer ontspannen hun spullen opbouwden. Ze zagen er ruig uit met hun haar veel langer haar dan wij durfden te dragen en ribfluwelen colberts, of truien die een beetje rafelden. En de gitaren waren zo anders: niet de door ons met moeite bijeen gespaarde tomaatrode Fenders, maar semi-akoestische bruine Gibsons, die ik toen voor het eerst zag. Artistiek is eigenlijk het beste woord voor de indruk die ze maakten. Ik bleef met gemengde gevoelens wachten tot ze gingen spelen. Misschien wel een beetje angstig om wat er komen ging. Maar vooral ook strontnieuwsgierig, want dit excentrieke zootje moest goed zijn, dat kon je zo zien.
Vanaf de eerste noot die ze speelden werd ik overweldigd door een ervaring die ik tot dan toe niet kende. Een grimmige zanger die woede, bezetenheid en smart uitstraalde. Een gitarist (= Eelco) die zo vreselijk anders klonk dan die gepolijste Shadows-klanken - dit was rauw, avontuurlijk en kokend. Een bassist die comfortabel onder de muziek door zoefde en een ritmegitarist, die ook al volledig afwijkend van het gangbare stramien speelde. De drummer durfde af en toe zelfs tegen de beat in te slaan en later leerde ik dat deze losheid van spelen beïnvloed heette te zijn door de jazz.
De echte schok was niet alleen de muzikale opvatting, maar ook het repertoire dat ze speelden. Hun stijl lag mijlenver verwijderd van die van ons; wij speelden voornamelijk volgens gladde Engelse sjablonen, terwijl zij uit een geheel ander reservoir tapten. Een slepend langzaam gespeeld 'Summertime' van Gershwin bijvoorbeeld, maar wat nog veel meer indruk op mij maakte was hun uitgekiende versie van 'I Believe To My Soul' van Ray Charles. Nog nooit had ik een band gehoord die het aandurfde om een nummer van mijn favoriete zanger te spelen, stomweg omdat die stijl niet binnen ons bereik leek te liggen. Zij putten vooral uit Amerikaanse bronnen, pas later kwam ik achter de namen van deze song-schrijvers: Howlin' Wolf, John Lee Hooker en Muddy Waters. In de snellere nummers klonken ze ziedend en ruig, verpletterende geluidsgolven die alle aandacht agressief opzogen. Hier was geen ontkomen aan, dit was verschrikkelijk goed.
Toen ze hun optreden hadden afgesloten, liep ik zwaar onder de indruk terug naar onze kleedkamer. In de gang achter het podium, waarop verschillende deuren uitkwamen, zwaaide plotseling de deur van hun kleedkamer open. Ze vroegen of ik even binnenkwam, want ze hadden me zien kijken tussen de coulissen. Tot mijn verbazing stelden ze zich een voor een voor en vertelden dat ze mij erg goed vonden spelen. Het bleken gewoon vriendelijke jongens te zijn die zelfs een onverwachte zachtaardigheid uitstraalden. Ik probeerde zo goed als dat ging mijn enorme waardering voor hen uit te spreken, maar voor wat ik daarnet had gezien schoten woorden eigenlijk tekort. Zo bleven we een tijdje zinloos tegen elkaar aan lullen, vooral gehinderd door een halftransparant schild van verlegenheid. Ik had zojuist kennisgemaakt met een band die de grenzen van mijn voorstellingsvermogen totaal had overschreden: Cuby and the Blizzards. (....)

(....) Gitarist Eelco Gelling werd door liefhebbers en critici gezien als een wereldwonder. Hij speelde inderdaad fabelachtig. Hij kon zich meten met de grootste buitenlandse voorbeelden, maar hij had ook totale off-days. Die dips schreven we dan maar toe aan zijn genialiteit. (....)

(....) Na een maand of twee zaten we plotseling met een groot probleem toen bleek dat Hans Kinds helemaal niet bestand bleek tegen de krijgstucht. Hij kwam dus terug en zo stonden we opeens met zes mensen op het podium. (*)
Na een paar optredens waren we het er over eens dat dit teveel van het goede was en stonden we voor de ongemakkelijkste en meest foutieve procedure die ik ooit in bandjes heb meegemaakt: het ontslag... Iedereen bleef dagenlang om de hete brij heen draaien, alsof er gebroken moest worden met een verkering. Eelco Gelling schraapte op een gegeven moment zijn keel en zei: "Ik weet wel wat, laat mij het hem maar vertellen." Die avond gingen we zoals altijd de lokale kroeg in en op een bepaald moment zagen we Gelling met Kinds smoezen. Die droop na een tijdje met gebogen hoofd af en we haastten ons naar Gelling toe om te vragen hoe het gegaan was. Kinds was een zuinige, je kunt gerust zeggen gierige man. Dus had Gelling tegen hem gezegd: "Als je nu geen rondje geeft lig je uit de band." Kinds gaf naar verwachting geen krimp en had om zich heen gekeken, begreep uit onze ontwijkende blikken plotseling dat het menens was, trok zijn conclusie en een gekerfde ziel verdween in de nacht. (....)

(....) We hadden inmiddels 'Groeten Uit Grollo' opgenomen, een enigszins melige titel voor een geweldige plaat. Deze plaat is in het jaar 2000 in het blad Oor ingedeeld bij de top-10 van beste Nederlandse platen ooit gemaakt. De platenmaatschappij ventte vooral het imago van een wereldvreemd Drents bandje uit. De hoes is een ansichtkaart van een heidelandschap, op de achterkant met de hand beschreven door Willem de Ridder, toen hoofdredacteur van 'Hitweek'. Wij als alternatieve schaapsherders in een antiek Drents landschap. De plaat klinkt iets geciviliseerder dan de eerste, 'Desolation'. Op 'Groeten Uit Grollo' deed Herman Brood voor het eerst op volle stoom mee. Op 'Desolation' had een pianist uit Assen meegedaan, maar Herman bewees op de nieuwe plaat meteen zijn creatieve meerwaarde. Zo bedacht hij de riff van 'Somebody Will Know Someday' en het intro van 'Another Day, Another Road', dat als single goed scoorde. (....)

(....) Tijdens zo'n uitputtend lange reis werd eens iedereen net wakker uit die halve droomslaap waar je zo lekker in weg kon zakken. We begonnen uit verveling onze lullen maar eens met elkaar te vergelijken. Sommige waren gerimpeld en duidelijk in slaapstand, andere hadden - opgewekt door het zachte gewieg van het busje - een gevaarlijke uitstraling.
Maar de grootste indruk maakte het deel van Herman Brood, dat voorzien was van een enorme voorhuid. Stijf of slap - het maakte niet uit - vooraan prijkte een slurfachtig aanhangsel en Eelco Gelling boog zich voorover om dit bijzondere boegbeeld goed te bekijken. "God, Herman", zei Eelco plotseling, "als het in de muziek niks wordt, dan kun je nog altijd champignons gaan kweken." (....)

(....) We gingen in de avond naar het hotel, want de afspraak was dat we daar Van Morrison zouden treffen. De man was voor ons een halfgod, die met zijn messcherpe stemgeluid in al onze zielen de nodige kerven had achtergelaten.
Morrison had ons nachtenlang wakker gehouden op schemerige zolderkamers, waar we tot in het holst van de nacht de albums 'Them' en 'Them Again' draaiden. We konden de tracks dromen. Die krakkemikkige band met dat gemeen snerpende orgeltje en die enorme, in te veel galm gedrenkte stem:
'You used to ride on buses
Take the tube to Camden Town
But now you go by aeroplane
And don't let nothing bring you down'
Je maakt je een voorstelling van de mens achter zo'n stem, maar toen Van Morrison de hotellobby binnenkwam, konden we ons niet voorstellen dat deze anonieme, op een kantoorklerk lijkende jongeman gezegend was met die grote, scherpe stem. In onze ogen was hij de grootste macht ter wereld. Maar hij kwam binnen in een gewoon colbertje. Begeleid door een aantal mensen van Hitweek en zijn Ierse vriend-manager Jerry, leek deze correct geklede en geknipte gast vooral ons idool niet te zijn. Dit was niet de superheld die ons allemaal tot tranen toe had bewogen. Hij sprak nauwelijks en als hij toch iets zei, was zijn stem fluisterzacht, en dat versterkte het gevoel dat het hem eenvoudigweg niet was. We stonden allemaal een beetje naar deze meneer met peenrood haar te kijken alsof we werden belazerd waar we bij stonden.
Eelco Gelling ging met hem naar een kamer en zoals altijd had hij zijn gitaar om zijn nek. Wij schuifelden achter hen beiden de kamer in omdat we uiteindelijk toch stikten van de nieuwsgierigheid. Een van onze eerste singletjes was het nummer 'Richard Cory' van Paul Simon dat ook Them ooit had gecovered. Gelling speelde zachtjes het intro en plotseling rechtte de kantoorklerk zijn rug en sneed die ene juiste, met zoveel spanning tegemoet geziene stem als een scheermes door de kamer.
Het was alsof er een bom afging en bassist Middel rende huilend de kamer uit. In een klap drong tot ons door dat hier de man zat die ons tot in het diepst van vele nachten had gefascineerd, want er was geen enkele groep waarmee wij ons zo geïdentificeerd hadden als met Them. Op het moment dat hij begon te zingen, was het zo helder als glas dat het hem echt was en waren we overtuigd dat we een droomtijd tegemoet gingen. Er volgde een reeks andere nummers, waarvan Gelling de akkoorden kende omdat we die songs allemaal eerder met The Blizzards hadden gespeeld. 'If You And I Could Be As Two' - 'Gloria' - 'How Long' - 'One More Time' en mijn favoriete 'Lonely Sad Eyes', om er een paar te noemen.
Er was slechts een weekeinde gereserveerd voor die toer, maar vanaf het moment dat Morrison die liedjes ging zingen, kon het allemaal niet meer stuk en was het door de opwinding onmogelijk om 's nachts te slapen. (....)

(....) Gelling was in de loop van die paar jaren een van mijn beste vrienden geworden en we vonden eigenlijk de tijd rijp om eens iets anders te gaan proberen. Er was een soort vermoeidheid in de band geslopen, een verzadiging misschien wel, en we konden ons het voortbestaan zonder Herman ook helemaal niet voorstellen. Daarbij waren we vooral ziek van de grollen uit Grolloo, zoals we het grillige gedrag van Harry waren gaan noemen. De financiële wanorde zorgde voor de verdere afbraak van ons vertrouwen in The Blizzards.
Ik herinner me een druilerige middag rond de kerstdagen in Grolloo. Na wat zwak heen en weer gelul besloten we Cuby and the Blizzards op te heffen. Een erg emotionele beslissing, vooral voor Harry, die zich ongetwijfeld veel te zwaar bestraft voelde voor zijn gedrag. Maar de beslissing stond eigenlijk op voorhand al vast en dat maakte het gesprek tot een geladen maar korte formaliteit.
Eelco Gelling en ik hadden besloten om een nieuwe band op te richten. Als bassist vroegen we Jaap van Eik, die samen met Herman Brood op de kunstacademie in Arnhem had gezeten. Het sprak vanzelf dat Herman zich na zijn vrijlating bij ons zou aansluiten. Als zanger vroegen we Sjoerd van der Duim, die gezongen had bij de Utrechtse band Full House. (**) Er werd een oefenruimte voor ons geregeld in het Friese Gaasterland waarvan ik me vooral herinner dat het er onbeschoft koud was. Het was een gemene winter, er lag een pak sneeuw en ook overdag kwam de temperatuur niet boven het vriespunt uit. We verwarmden de oefenruimte met straalkacheltjes, maar echt geïnspireerd konden we in deze Siberische omstandigheden niet worden. Het verblijf werd betaald door Phonogram, de platenmaatschappij die ons na het winnen van de Edison uiteraard nauwlettend in het oog wilde houden. We kregen in Friesland bezoek van alle 'big shots' van de firma, maar ook hun zal de enigszins matte manier van musiceren zijn opgevallen. Ons muzikale ideaalbeeld ging het meest in de richting van Cream, met Eric Clapton, Ginger Baker en Jack Bruce. Maar door de platenmaatschappij werd de druk op Gelling en Muskee opgevoerd om toch maar weer iets samen te doen. Of er nou machtsmiddelen zijn gebruikt in de vorm van geld zal ik wel nooit weten. Het is in ieder geval een feit dat het avontuur van Eelco en mij in de kiem werd gesmoord. We werden op een gegeven moment ontboden bij de manager in Assen, om te komen praten.
We hadden in het verleden elke maandag zo'n vergadering gehad en Brood en ik zaten altijd in de stress of we de laatste trein naar Groningen wel zouden halen. Broods vaste opmerking als we nog moesten beginnen was: "Duurt het nog lang?" We woonden allebei in Groningen en onze grootste vrees was dat we in Assen moesten overnachten. De ellende van een overnachting was namelijk dat we terecht zouden komen in de kroeg van Jan Dekker in het centrum van Assen. Dit café werd bevolkt met van bier doordrenkte, klotsende provincialen die van alles van ons moesten. Het was absoluut niet de wereld van Herman en mij, maar Muskee en Gelling hadden een enorm krediet bij die mensen. Gelling flikte het zelfs een keer om iemand tegen zijn benen te zeiken. "Niet kijken, hoor!" zei hij en ondertussen voelde de aangesprokene zijn been langzaam klam en warm worden. Het is een wonder dat we nooit volledig geslacht die kroeg uit zijn geslagen.
We gingen naar het huis van de manager om te horen wat Phonogram en anderen vonden van het prille initiatief van Eelco en mij. Toen ik de kamer binnenkwam, had ik eigenlijk al genoeg kunnen weten, want niet alleen Eelco en ik waren er, maar ook Muskee was tot onze verbazing uitgenodigd. Het hoge woord bleek er vooral uit te bestaan dat de manager en Phonogram vonden dat het illustere duo Muskee/Gelling weer bij elkaar moest. Jaap van Eik zou de oude bassist Willie Middel gaan vervangen. Besloten werd dat Herman terug zou kunnen komen als hij over een paar maanden werd vrijgelaten. En de drummer dan? Er volgde een lange en geladen stilte.
"Dick Beekman is mijn drummer," sprak Harry plotseling, recht voor zich uit kijkend met zo'n Raspoetinblik.
De stilte die volgde was nog geladener, misschien vooral omdat verwacht werd dat Gelling voor mij zou kiezen. Het bleef echter doodstil in de kamer en ik stond op en sprak de korte en simpele zin: "Nou, dan ga ik maar." (....)

(*) Zie noot (******) bij het artikel uit Het Platenblad nr. 111.

(**) Hij had ook nog met Jaap en Herman in Moan gezeten.