'Zeker vijftien kinderen naar mij genoemd'
Geen idolaat gedoe voor Eelco Gelling (Utrechts Nieuwsblad 26/07/00)
door Jeroen de Valk
Jaren voordat Eelco Gelling doorbrak in de Randstad, had hij al een beruchte reputatie opgebouwd in de drie noordelijke provincies: Friesland, Groningen en Drenthe. Met zijn band Cuby and The Blizzards maakte hij er de Chicago-blues populair onder de plattelandsjeugd, tot genoegen van die jeugd en verbijstering van hun ouders.
De nu 54-jarige gitarist herinnert zich tochten naar boerderijen die in het weekend als dancing fungeerden. "Dat boerenland was volstrekt verlaten. We reden er tientallen kilometers zonder een sterveling te zien. En dan opeens, stonden er allemaal brommers langs de kant van de weg geparkeerd. Honderden meters vol Puch-brommertjes. Dat was voor ons het teken dat die dancing in de buurt was."
Gedurende de optredens speelde zich altijd hetzelfde tafereel af: de jeugd vermaakte zich, terwijl de ouderen onthutst naar binnen keken. "Je zag de angst op hun gezicht. Ze hielden hun kleine kinderen stevig vast, alsof er een groot gevaar dreigde. Na afloop kregen we een karbonaadje aangeboden. Dat hoorde zo; een bord warm eten voordat je weer op pad ging. De boerin kreeg bijna tranen in haar ogen, dat ze zo'n geteisem haar kostbare voedsel moest voorschotelen. Als dan bleek dat we gewoon met mes en vork konden eten, was ze helemaal opgelucht."
De opmars van de blues liet zich niet tegenhouden. Cuby and The Blizzards - de band uit Grollo van Gelling en zanger Harry Muskee - veroverde spoedig de rest van de wereld. "Soms speelden zich hysterische taferelen af. We werden een keer in luxe wagens, beschermd door een politie-escorte, met tweehonderd kilometer per uur naar het vliegveld van Berlijn vervoerd. Zaten wij heel relaxed met een dikke joint achterin."
De hippiemeisjes van weleer werden moeder, en enkelen gaven hun kinderen de naam van hun jeugdidool. "Er zijn zeker vijftien kinderen naar mij genoemd. Een daarvan heeft nu een eigen bandje. Zijn moeder nodigde mij uit toen hij in Leiden optrad. Natuurlijk ging ik erheen. Die band heette Stone Tree en die Eelco is negentien en zeker een kop groter dan ik. een goede jongen. Speelt heel cool en beslist, weet precies wat hij wil. Toen ik mij voorstelde, liet hij meteen een plectrum en een bottleneck zien, die ik hem op zijn zesde had gegeven. Maar verder deed hij heel rustig. Niks geen heldenverering. Ik haat dat idolate gedoe".
Het kost enige moeite om het verband te leggen tussen de langharige popster van weleer en Eelco Gelling in zijn huidige verschijning. Toch is er weinig veranderd, vindt hij, ook al heeft hij al zijn resterende haar afgeschoren. Hij was destijds een zorgvuldig formulerende, flegmatieke Drent en dat is hij nog steeds. Hij speelde destijds de blues en ook dat is niet veranderd. Zijn nieuwe Eelco Gelling Band, komend weekend in Amersfoort - gaat waarschijnlijk een glanzende toekomst tegemoet.
Al zien sommige scribenten dat liever anders. Gelling is de favoriet van popjournalisten die op zoek zijn naar aan lager wal geraakte helden. Laatst nog; hij kreeg een afvaardiging van een befaamd rockblad over de vloer, zat een middag gezellig te babbelen en las achteraf met stijgende verbazing wat de redactie ervan had gebakken. "Het was helemaal geen weergave van het interview", laat Gelling - voormalig medewerker van de Drentse en Asser Courant - weten. "Niets dan seks en drugs en zo. Ze hebben een wildeman van mij gemaakt."
De werkelijkheid is minder sensationeel. Gelling steekt tegenwoordig af en toe een sigaretje op en drinkt gaarne een glas bier op zijn tijd, en daar blijft het doorgaans bij. "Ik kan begrijpen dat zo'n knaap bepaalde uitspraken een beetje wil aandikken. Maar de meeste uitspraken waren niet zozeer aangedikt als wel uit de duim gezogen. Je voelt je dan misbruikt."
Eelco Gelling, moeten we weten, is gewoon een muzikant en doet verder geen vlieg kwaad. Hij wil zo goed mogelijk de blues spelen, muziek die recht uit het hart komt en vooral niet 'bijdehand' is. "Sommige jazz-jongens maken een bepaalde fase door waarin ze veel te gelikt spelen. Mike Sern en John Scofield bijvoorbeeld. Het is maar goed dat ze bij Miles Davis hebben gezeten. Die periode heeft hen geen kwaad gedaan. Door Miles kregen ze hun bluesgevoel terug, het respect voor hun toon."
Een plaat als John Lee Hooker Live at Newport, dat is zijn ideaal. "Alleen die gitaar, die stem en het getik van zijn hakken op de vloer. Rauwe emotie. Adembenemend."